zaterdag 23 september 2017


CHEMISCHE BESTRIJDINGSMIDDELEN IN VOEDSEL



Krant van de Aarde, Oktober 2017. Rubriek: Opinie

Tekst: Jelmer Buijs; landbouwkundige consultant en Henk Tennekes, consultant toxicoloog


Als je als mens tegenwoordig wilt begrijpen wat er in de levensmiddelen zit, die je koopt, heb je daaraan bijna een dagtaak. De etiketten van  producten  in de winkels bevatten waslijsten van stoffen die je niet kent en de zaken die echt belangrijk zijn, staan er vaak niet op. Ook de boeren, verwerkers, en handelaren kennen vaak de exacte samenstelling van hun producten niet, omdat ze afhankelijk zijn van toeleveranciers en van de kwaliteit van de bodem, water en lucht waarmee ze geproduceerd werden. Denk maar aan het recente eieren schandaal met fipronil.

Je wilt meer weten

Consumenten die meer willen weten over de stoffen die in voedingsmiddelen aanwezig kunnen zijn, komen al gauw van een koude kermis thuis.  Als je mails stuurt naar levensmiddelenproducenten, kun je vier soorten antwoorden verwachten:

·         Je krijgt geen reactie

·         Ze hebben de stoffen waarnaar je vraagt nog nooit gemeten en/of nog nooit gehoord van de stoffen waarnaar je vraagt

·         Ze meten deze stoffen, maar hebben nog nooit iets gevonden. Vaak is het zo dat ze een heel lage meetnauwkeurigheid gebruiken, omdat dit voldoende is volgens de wet

·         Ze meten de stoffen wel, maar vinden het niet in hun belang de resultaten van de metingen te delen met consumenten
                                Gewasbespuiting in Zuidelijk Flevoland, september 2017 op gangbaar bedrijf gelegen niet ver van biologische bedrijven; Foto; Jelmer Buijs



Onlangs hebben wij gemaild (en gebeld) met een aantal bedrijven en organisaties. Wij vroegen;

1)      Een bekende Nederlandse coöperatie van melkveehouders naar de aanwezigheid van insecticide imidacloprid in melk.
Hun antwoord was: de norm voor melk is 0,1 milligram per liter en wij meten met een nauwkeurigheid van 0,01 milligram per liter. Er is bij deze meetnauwkeurigheid nog nooit iets gevonden.

2)      Een bekend biermerk uit Amsterdam over de aanwezigheid van onkruidbestrijdingsmiddelen (glyfosaat) in hun bier.

Hun antwoord was: Het is onmogelijk dat in ons bier glyfosaat zit, wegens harde afspraken met leveranciers. Men schreef ons echter verder dat in bier met citroensmaak wel bestrijdingsmiddelen kunnen zitten die van de citroenen afkomstig zijn. Hoeveel schreven ze ons niet

3)      Een suikerfabriek in  Dinteloord over de mogelijke aanwezigheid van insecticiden (imidacloprid) in suiker en suikerproducten
Hun Antwoord was simpel: Ze hadden dit nog niet eerder gemeten

4)      Een suikerfabriek  in Mannheim (Duitsland) over de mogelijke aanwezigheid van insecticiden (imidacloprid) in suiker en in bijenvoeder
Hun  antwoord was: Ontwijkend antwoord, namelijk dat ze aan alle Europese normen voldoen. Ze schrijven niet hoeveel van deze stof er in hun producten zit.

5)      Een grote fabrikant van wintervoeder voor bijenhouders USA naar de mogelijke aanwezigheid van insecticiden in bijenwintervoeder
Antwoord: niet gekregen

6)      Skal biocontrole (Skal biocontrole is de organisatie voor het toezicht op de biologische productie in Nederland) en NVWA (De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) en de handelaren in biologische levensmiddelen naar de gehalten van bestrijdingsmiddelen in biologische producten
Antwoord: Skal; Gemeten waarden van bestrijdingsmiddelen in biologische levensmiddelen zijn niet voor het publiek bestemd. Alleen overtredingen worden in de jaarverslagen genoemd. De resultaten van residumetingen worden wel doorgegeven aan de bedrijven die deze producten produceren.
Antwoord van NVWA; nog geen antwoord. NVWA antwoordt in de regel correct, maar wel traag.
Antwoord van de handel (via Bionext); de gemeten gehalten zijn niet voor consumenten bestemd

De coöperatie van melkveehouders (met zeer veel leden) antwoordde heel precies. De door hen aangehouden wettelijke norm is echter heel hoog; zo een maximale toegestane concentratie van deze stof in melk zou dodelijk zijn voor veel insecten, zoals bijen. Kan het zo zijn dat deze melk dan voor ons gezond is……?
Het NVWA heeft in 2016 gemeten dat in 37% van de geteste Nederlandse biermerken dit onkruidbestrijdingsmiddel (glyfosaat) zit met een gemiddeld gehalte van 6,5 microgram per liter, met als hoogste bij één biermerk van 19,1 microgram per liter.  De NVWA heeft tot nu toe geen uitsluitsel gegeven in welke biermerken dit middel wel is aangetroffen en in welke biermerken niet, omdat dit concurrentievervalsing tot gevolg zou kunnen hebben. Of het bekende Amsterdamse biermerk zelf glyfosaat heeft gemeten blijft in hun antwoord onduidelijk. Wellicht meten ze zodanig onnauwkeurig dat ze kunnen zeggen dat ze niks gevonden hebben.  De NVWA vindt deze gehalten volsterk veilig, ook als we deze stof tevens met andere levensmiddelen binnenkrijgen. Maar hoe zullen de normen er over 10 jaar uitzien?
Dat de Nederlandse suikerfabriek nog nooit naar het insecticide imidacloprid heeft gezocht in suiker kan waar zijn, hoewel dit middel al jaren wordt toegepast op vrijwel alle suikerbieten in Nederland (en in Europa). Men heeft ons gezegd dat men het nu wel gaat meten. Dan nog is het de vraag of men het met de juiste nauwkeurigheid gaat meten, anders heeft het geen zin. Het is zeer onwaarschijnlijk dat wij als consumenten (of als schrijvers van dit artikel) de resultaten van de metingen zullen gaan krijgen.
De Duitse suikerfabrikant geeft aan dat ze aan alle normen voldoen. De normen voor menselijke voeding zijn echter veel hoger dan  voor bijen verantwoord is (en mogelijk voor mensen ook). Dus is het wettelijk mogelijk dat ze bijenvoer produceren waarvan de bijen ziek worden.
Bedrijven die helemaal geen reactie geven, denken daarmee het risico van negatieve informatie te verkleinen. Dat versterkt het idee dat ze iets te verbergen hebben.
Skal biocontrole en de handelaren in biologische producten (via Bionext) gaven dus aan dat het niet de bedoeling is dat de gehalten van bestrijdingsmiddelen in biologische levensmiddelen bekend worden bij de consumenten.
Wat kun je er zelf aan doen
Door biologisch geproduceerde levensmiddelen te kopen kun je het risico voor je gezondheid beperken. Ook biologische bedrijven zijn onderhevig aan de verspreiding van bestrijdingsmiddelen, via aangekochte niet biologische mest,  oppervlaktewater,  regen, en  nog vele andere wegen. Het is van belang dat de normen voor gebruik van niet biologische meststoffen (door Skal biocontrole) worden aangescherpt. Als het goed is, zouden biologische producten een veel lager gehalte aan bestrijdingsmiddelen moeten hebben dan gangbare producten. Dat is echter moeilijk te controleren, want niemand wenst de meetgegevens van biologische levensmiddelen in Nederland te publiceren. Buitenlands onderzoek laat zien dat daar biologische producten gemiddeld 4 tot 5 maal minder resten van de meeste bestrijdingsmiddelen bevatten. Er is dus nog werk aan de winkel voor de biologische sector de Nederlandse metingen openbaar te maken en ervoor te zorgen dat het gehalte aan bestrijdingsmiddelen nog verder verlaagd wordt d.m.v. diverse maatregelen. Die maatregelen kunnen te maken hebben met het gebruik van mest uit de gangbare landbouw, van compost, maar ook met het gebruik van oppervlaktewater voor beregening en voor drinkwater voor het vee. Per 1 januari 2018 verbiedt de biologisch dynamische landbouw het gebruik van gangbare mest geheel. Ook tot die datum zijn de regels strenger dan bij de overige biologische bedrijven. Dat is een belangrijke stap in de goede richting!
Er zijn overigens ook nog vele toepassingen van bestrijdingsmiddelen in en om huis. Antivlooienbandjes voor poezen en honden zijn berucht omdat ze net als mierenlokdozen, antivlooienshampo’s, antivliegensprays en andere insectenbestrijders grote hoeveelheden insecticiden bevatten, zoals imidacloprid en fipronil (wel bekend inmiddels van de eieren). Indien bijen deze stoffen zouden binnenkrijgen zouden enkele bandjes voldoende zijn om alle bijen in Nederland via chronische vergiftiging te laten sterven. Er zijn prima alternatieven op basis van geraniol.

Poezen en honden antivlooienbandjes bevatten zeer grote hoeveelheden (meer dan 1 gram) van het zeer omstreden middel imidacloprid en/of andere stoffen. Er is een goede bestemming voor de bandjes: de gifbus van uw gemeente.


Wie kan je geloven?
Producenten hebben een veelheid van manieren waarop ze consumenten kunnen misleiden. In het algemeen klopt de bewering dat een product helemaal geen bestrijdingsmiddelen bevat niet. Met de juiste apparatuur kun je vrijwel elke stof in ieder voedsel vinden. Het is bovendien zo dat veel bestrijdingsmiddelen op de wereld zo veel gebruikt worden, dat ze vrijwel overal in de natuur terug te vinden zijn, ook in de Noordzee of in het poolijs. In bepaalde gevallen kan het zo zijn dat de verschillen tussen biologische producten en niet biologische producten klein of afwezig zijn;
-als de bestrijdingsmiddelen in producten afkomstig zijn van toepassingen uit het verdere verleden, bijv. DDT. Dit middel blijft zeker 100 jaar in de grond zitten en wordt voor een deel door planten opgenomen
-als ze niet in Nederland worden toegepast, maar met de wind en regen op onze akkers terecht komen vanuit het buitenland. Ze regenen overal neer, op biologische en op niet biologische bedrijven.
-als via aankoop van niet biologische meststoffen of via het kleine deel (5%) toegestane niet biologisch krachtvoer voor dieren in de biologische veehouderij toch insleep van bestrijdingsmiddelen plaatsvindt
-als producenten en/of verwerkers van biologische producten de regels niet naleven of als de regels niet deugen.
Waarom beweert wie wat over bestrijdingsmiddelen?
Alle delen van de landbouwsector die bestrijdingsmiddelen ontwikkelen, onderzoeken, verkopen en toepassen hebben er belang bij om u wijs te maken dat het geen kwaad kan en dat het zelfs noodzakelijk zou zijn om de wereldbevolking te voeden. De toegestane gehalten van bestrijdingsmiddelen (de normen) worden vastgesteld op basis van door de industrie aangeleverde gegevens van proeven met proefdieren. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar het effect van de stoffen op ons ecosysteem. Het kan niet anders zijn dan dat dit onderzoek zeer onvolledig is, omdat ons ecosysteem zeer complex is. De resultaten van de ecotoxicologische proeven geven voornamelijk uitsluitsel over de acute giftigheid en wel in afwezigheid van andere vervuiling. De werkelijkheid is dat we onszelf en de natuur gebruiken als proefkonijn om het effect van bestrijdingsmiddelen waar te nemen, als aanvulling op de testen die vooraf worden gedaan.
Kan onze economie draaien zonder bestrijdingsmiddelen?
Het is absolute onzin dat onze economie niet zou kunnen draaien zonder gebruik van bestrijdingsmiddelen. Biologische bedrijven hebben in de regel nauwelijks problemen met ziekten en plagen. Ze passen een veelheid van preventieve en biologische maatregelen toe. De opbrengst van gewassen wordt voornamelijk bepaald door de vakkundigheid van de teler, door de bodemvruchtbaarheid en door het weer. Het is precies andersom: onze economie kan niet blijven draaien met het gebruik van al die gifstoffen. Onze bodems worden op termijn onbruikbaar en het voedsel even zo zeer.
Wat is de werking van bestrijdingsmiddelen?
Bestrijdingsmiddelen kunnen allerlei essentiële levensprocessen van ongewenste planten (onkruiden), schimmels, bacteriën, insecten en allerhande micro-organismen zodanig verstoren dat ze sterven. De werking, verspreiding en mogelijke ophoping van bestrijdingsmiddelen in de natuur is echter onmogelijk te voorspellen. Bovendien hangt in de natuur alles met alles samen. Het wereldwijd gebruikte middel imidacloprid heeft een dodelijke werking op heel veel insecten en andere organismen en de werking neemt heel sterk toe met de verstreken tijd. Dit houdt verband met het neurotoxicologische werkingsmechanisme van deze stof, waarbij de blootstellingsduur het uiteindelijke effect versterkt(zie eerste publicatie in literatuurlijst). De chronische werking van 1 miljardste gram imidacloprid is voldoende om een bij binnen enkele dagen te laten sterven. Van het middel fipronil neemt de werking ook toe met de verstreken tijd, maar minder sterk dan bij imidacloprid.  Fipronil is carcinogeen in dierproeven, dus over 20 jaar weten we hierover meer, dankzij u en mij (…). Het is bekend dat carcinogene stoffen geen veilige ondergrens hebben wat betreft de concentratie in levensmiddelen.
Waarom zijn bestrijdingsmiddelen ten alle tijden te vermijden ?
Stoffen die nog nooit in de natuur zijn voorgekomen, horen niet thuis in de natuur en ook niet in ons lichaam, ook niet in heel kleine hoeveelheden. Iedereen die zegt dat dit geen kwaad kan, gaat voorbij aan de feiten.  We (ook de wetenschappers die anders beweren) hebben geen idee van wat we in de natuur aanrichten. Vaak blijkt dat pas na 20 jaar of meer als vogels, vlinders of andere dieren verdwenen zijn. Overigens dienen we ook voorzichtig om te gaan met natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Nicotine is een voorbeeld van een natuurlijk middel, dat bepaald niet onschuldig is.
Hebben bestrijdingsmiddelen invloed op je gezondheid?
De gehalten van bestrijdingsmiddelen in het oceaanwater zijn zeer klein (in de orde van 1 gram per miljoen kubieke meter water) en toch is vastgesteld dat ze zich in gevaarlijke hoeveelheden kunnen ophopen in het vet van vogels en vissen die daar leven. Onderzoek in diverse landen heeft ook aangetoond dat zich in menselijk vetweefsel vaak grote hoeveelheden gifstoffen ophopen. Het eerder genoemde imidacloprid insecticide heeft in dierproeven laten zien dat het bij muizen obesitas en voorstadia van diabetes type 2 kan veroorzaken. Is het toeval dat deze ziekten nu zo aan het toenemen zijn?. De stof gaat ook interacties aan met het menselijke brein, en de risico’s die dat met zich meebrengt worden verzwegen. Er is nauwelijks een product in de supermarkt te vinden waar dit insecticide (in heel kleine hoeveelheden) niet inzit. In alle producten die niet-biologische soja, mais, suiker, eieren en zuivel bevatten moet het wel zitten, omdat het in de productieketen werd toegepast. Het wordt ook gebruikt in appelboomgaarden, op sinaasappels en  groenten, etc.
Wat is de invloed van de bestrijdingsmiddelen op de natuur in Nederland?
Er zijn de laatste jaren veel waarnemingen dat het aantal insecten in hoog tempo vermindert en dat veel vogels van het boerenland in hoog tempo verdwijnen. De laatste jaren zijn veel weidevogels in Nederland verdwenen als sneeuw voor de zon. Het is vrijwel zeker dat de bestrijdingsmiddelen daarbij een grote rol spelen. Er gebeurt echter nauwelijks onderzoek naar want we mogen niet aan het heilige huisje bestrijdingsmiddelen komen. Het onderzoek staat vooral ten dienste van de industrie en niet ten dienste van de samenleving. Concentraties van diverse bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater in Nederland overschrijden vaak de wettelijke normen, ondanks het feit dat die normen ook al veel te hoog zijn.
Zijn er in Nederland strenge controles?
Met tussenpozen worden er van voedselwaren monsters genomen die worden geanalyseerd op bestrijdingsmiddelen door de NVWA, door Skal biocontrole en door handelaren. Het kan in sommige gevallen echter jaren duren voordat overtredingen worden ontdekt. Om hun werk effectiever te maken, proberen deze organisaties zich te richten op risicoproducten. Verder zijn de NVWA en Skal biocontrole gebonden aan de wettelijke normen die in Nederland gelden. Deze normen zijn in veel gevallen zeer aanvechtbaar. Verder worden veel hulpstoffen die voor de biologische landbouw worden aangeboden niet door Skal biocontrole gecontroleerd, als ze op de lijst van toegestane stoffen staan. Het eieren schandaal heeft geleerd dat het blinde vertrouwen in ‘plantaardige’ middeltjes (in dit geval voor bloedluisbestrijding bij kippen) tot het verleden dient te behoren.
De uitweg uit deze onnodige problemen
In heel Europa zijn duizenden (biologische) boeren die aantonen dat je prima zonder al dit gif kunt werken. Als we met zijn allen dieselmotoren en kolencentrales kunnen uitbannen, kunnen we ook het gebruik van  bestrijdingsmiddelen op termijn uitbannen en zorgen dat ons nageslacht een zo gezond mogelijke toekomst tegemoet kan zien. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Jelmer Buijs; landbouwkundige consultant (jelmerbuijs@gmail.com)
Henk Tennekes, consultant toxicoloog (info@toxicology.nl)

Nuttige informatie:
1.       http://www.disasterinthemaking.com/about_the_author.html (boek van Henk Tennekes, 2010)
2.      https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/Beheer/Rapportage/Bulkdata (metingen van chemische stoffen in oppervlaktewater in Nederland met meetpunten)
3.       http://www.ctgb.nl/ (college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
4.      https://www.cbg-meb.nl/ (college ter beoordeling van geneesmiddelen)
5.      http://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/





donderdag 14 september 2017


gepubliceerd in: tijdschrift Ekoland, oktober 2017


BIOLOGISCHE BEDRIJVEN KWETSBAAR VOOR BESTRIJDINGSMIDDELEN DIE LANG IN HET MILIEU BLIJVEN

  

‘Over de aanwezigheid van imidacloprid en aanverwante stoffen in mest en bodem is vrijwel niets bekend.’

‘Het is twijfelachtig of er gangbare mest is die aan die norm voor imidacloprid voldoet.’


Kop:

Milieueffecten neonicotinoïden onderschat



Lead:

In het eerste artikel legden de auteurs uit hoe chemische bestrijdingsmiddelen onbedoeld in biologische producten terecht kunnen komen. Een actueel onderwerp gezien de recent fipronilaffaire waarbij ook biologische eieren werden besmet. Deel 2 gaat over de gevaren van neonicotinoïden. Wat kunnen biologische boeren doen om deze zeer giftige middelen te weren?  



Auteurs: Tekst Henk Tennekes en Jelmer Buijs



Platte tekst:  

Sinds het begin van de jaren negentig worden neonicotinoïden veelvuldig gebruikt in de landbouw. Deze groep middelen is extreem schadelijk voor insecten, zoals bijen, maar ook voor tal van andere water en bodemorganismen. Het zijn systemisch werkzame stoffen die door planten uit de bodem worden opgenomen. Er hoeven van deze middelen maar  weinig grammen per hectare te worden toegepast. De gevaren zijn daarmee echter niet verdwenen, in tegendeel. Er zijn sterke aanwijzingen dat het aantal insecten in West Europa afneemt, ook buiten de landbouwgebieden, tot wel 80 procent in 25 jaar van 1989 tot 2014. De effecten blijken veel dramatischer dan gedacht. Neonicotinoïden  worden veel ingezet om zaden te beschermen (bij suikerbieten, groenten en snijmais) en om gewassen te beschermen (aardappelen, bloembollen, witlof, appels, peren enz.). Veel mensen observeren dat er al jaren achter elkaar zich steeds minder insecten te pletter vliegen op hun autovoorruit, en dat ze hun horren op de ramen niet meer hoeven te gebruiken. De Europese Unie beraadt zich nu over de verdere toelating van imidacloprid en andere neonicotinoïden, maar wat ze gaan besluiten is nog niet bekend. Neonicotinoïden zitten ook in middeltjes voor vliegenbestrijding in stallen en in huismiddeltjes tegen mieren, vliegen, etc. Blootstelling aan minder dan een miljardste gram kan voor bijen al fataal zijn. In principe is de hoeveelheid imidacloprid in één busje vliegenbestrijder voor in de stal of in enkele poezenbandjes voldoende om alle 2,5 miljard honingbijen die in Nederland worden gehouden te laten afsterven. Imidacloprid is voor honingbijen en veel andere insecten dus onvoorstelbaar giftig.



Het gehalte aan imidacloprid in het Nederlandse oppervlaktewater blijkt in onderzoek van de universiteiten Utrecht en Nijmegen samen te hangen met de achteruitgang van insecten en vogels. Op veel plaatsen is sinds 1975 meer dan 90 procent van de weidevogels verdwenen, ook in natuurgebieden. In sommige veenweidegebieden worden na de leeuwerik en de grutto zelfs de scholekster, kievit en vele soorten eenden zeldzaam. Uiteraard zijn er ook veel andere oorzaken voor de achteruitgang van vogels, maar de sluipende vergiftiging van de bodem is de minst herkenbare voor vogelliefhebbers.

Ook biologische bedrijven staan op diverse manieren in contact met hun omgeving.. Over de aanwezigheid van imidacloprid en aanverwante stoffen in mest en in de bodem van landbouwbedrijven is vrijwel niets bekend.



Tekstvak: Aanwezigheid van imidacloprid in Nederlands oppervlaktewater in 2015
Blauw=niet aangetroffen
Groen=beneden de norm
Geel=hoger dan de norm
Rood=meer dan vijf maal de norm
Grijs=norm is lager dan detectiegrens
Bron: on-line bestrijdingsmiddelenatlas Universiteit Leiden






Metingen van bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater zijn voor iedereen toegankelijk. De metingen van de waterschappen zijn na te lezen op de site van het waterkwaliteitsportaal (zie illustratie en de literatuurlijst bij dit artikel).



Gifstoffen kunnen verschillende werkingsmechanismen hebben op organismen. Bij stoffen die irreversibele interacties aangaan wordt de biologische schade bepaald door de concentratie en de blootstellingsduur (de regel van Haber) of kan deze zelfs door de tijd worden versterkt (Druckrey-Küpfmüller vergelijking). Neonicotinoïden behoren tot deze laatste categorie stoffen, waarbij door een lange blootstellingstijd schadelijke werkingen kunnen worden veroorzaakt door uiterst geringe concentraties. De toelatingsprocedures houden hier echter geen rekening mee, en onderschatten de risico’s dus ernstig.

De toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen lijken in het geval van neonicotinoïden te falen. Een gewasbeschermingsmiddel mag slechts worden toegelaten als het voldoet aan bepaalde milieucriteria, zoals het uitspoelingsrisico naar het grondwater, het risico voor waterorganismen en de afbreekbaarheid. Imidacloprid is persistent in de bodem, heeft een hoog uitspoelingsrisico en is zeer giftig voor waterorganismen, vooral na langdurige blootstelling. Daarmee voldoet imidacloprid niet aan de drie in de Nederlandse wetgeving opgenomen milieucriteria. Het Nederlandse College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft desalniettemin 24 middelen toegelaten met imidacloprid als werkzame stof (zie http://www.ctbg.nl) en het College ter beoordeling van geneesmiddelen (het CBG) zelfs 37 middelen. (zie https://www.cbg-meb.nl/). Uiteindelijk komen ze allemaal in het milieu.



Hoe is de belasting op bedrijfsniveau te verminderen? Tegen sommige bronnen van de insleep van bestrijdingsmiddelen kunnen we actief optreden. Houdt bij beregening rekening met de oorsprong van het water. Grondwater is in de regel schoner dan oppervlaktewater. Vermijd beregening met oppervlaktewater in sterk vervuilde gebieden zoals het Westland, Flevoland en andere tuinbouw- en akkerbouwgebieden (zie overzichtskaart).

Veel gangbare veebedrijven gebruiken preparaten met bestrijdingsmiddelen voor vliegenbestrijding in stallen, in mestkelders, als oorflappen voor vee en voor emeltenbestrijding in grasland. Daar kunnen allerlei insecticiden, zoals organofosforverbindingen maar ook imidacloprid en thiamethoxam inzitten. Ook verbouwen gangbare bedrijven snijmais waarvan het zaad wordt behandeld. De stoffen uit de zaadcoating van snijmais komen voor een belangrijk deel in de mest van de dieren die de snijmais eten. Biologische bedrijven zouden er naar moeten streven alleen mest aan te kopen van gangbare bedrijven die:

§  geen vliegenbestrijdingsmiddelen toepassen op hun bedrijf;

§  geen mais of soja gebruiken die gezaaid zijn met gecoat zaad met oa. neonicotinoïden;

§  geen oorflappen gebruiken met insecticiden;

§  geen emelten en engerlingen bestrijden in hun grasland.

Hetzelfde geldt uiteraard voor geneesmiddelen die veel gebruikt worden op gangbare veebedrijven, zoals antibiotica, antiwormmiddelen enz. Onachtzaamheid kan er voor zorgen dat je met de gangbare mest een slachting voor jaren aanricht onder insecten en wormen in biologische grond, terwijl je (formeel) aan alle regels voor biologische landbouw voldoet. Biologisch-dynamische bedrijven mogen volgens de Demeter richtlijnen van 1 januari 2018 geen gebruik meer maken van gangbare mest.



Conclusies

§  Opletten met aangekochte bedrijfsmiddelenBestrijdingsmiddelen en hun omzettingsproducten kunnen overal opduiken.

§  Het verdient aanbeveling om geen gangbare mest aan te kopen met gehalten imidacloprid hoger dan 10 nanogram per kg. Dat zou in overeenstemming zijn met de norm voor oppervlaktewater die het RIVM heeft aanbevolen in 2014.

§  Het is twijfelachtig of er gangbare mest is die aan die norm voor imidacloprid voldoet.

§  Ieder verbod van een bestrijdingsmiddel wordt weer gevolgd door een nieuw bestrijdingsmiddel, alweer ‘praktisch zonder bijwerkingen’. De heilloze wedloop gaat door tenzij het landbouwbeleid radicaal wordt veranderd

§  Geen van de drie instanties die residuen meten in biologische levensmiddelen (NVWA, Skal Biocontrole, en de handelsbedrijven) wensen openheid van zaken te geven m.b.t. residugehalten in landbouwproducten. Dat bemoeilijkt het nemen van maatregelen op bedrijfsniveau.





Auteurs infoblokje:  

Henk Tennekes is consultant toxicoloog (info@toxicology.nl)

Jelmer Buijs is landbouwkundige consultant (jelmerbuijs@gmail.com)



Bronvermelding:


https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/Beheer/Rapportage/Bulkdata (metingen van chemische stoffen in oppervlaktewater in Nederland met meetpunten)

http://www.ctgb.nl/ (college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

https://www.cbg-meb.nl/ (college ter beoordeling van geneesmiddelen)


http://www.wur.nl/nl/Dossiers/dossier/Imidacloprid.htm



Kaders:

Zelf laten analyseren

Er zijn diverse bedrijven die analysen aanbieden van bestrijdingsmiddelen. Je kunt er pakketten van bestrijdingsmiddelen (en hun omzettingsproducten) laten meten. Een pakket omvat in de regel 400-600 stoffen en kost een paar honderd euro.



gepubliceerd in: tijdschrift Ekoland 7-8/2017 pagina 26-27

BESTRIJDINGSMIDDELEN PROBLEMATIEK IS NOG LANG NIET ONDER CONTROLE (DEEL 1)

De biologische landbouw stelt verschillende eisen aan de landbouwproducenten en aan de verwerkende bedrijven. Daarbij is onder meer het gebruik van chemische synthetische bestrijdingsmiddelen en kunstmest niet toegestaan. Contaminatie van biologisch geproduceerde landbouwproducten kan echter toch optreden door;

Ø  overwaaien van spuitnevels van naburige bedrijven (drift)

Ø  aanwezigheid van restanten van bestrijdingsmiddelen en hun afbraakproducten in de bodem als gevolg van toepassing vóór de omschakeling naar biologische landbouw

Ø  aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresten in oude opslagplaatsen (van vóór de omschakeling) of door contaminatie door opslag (van biologische en niet biologische producten in dezelfde ruimten)

Ø  opname uit vervuild grondwater en inspoeling met neerslag (regen, mist, sneeuw)

Ø  via beregening met vervuild oppervlaktewater

Ø  door vervuiling tijdens transport (vrachtauto’s, pallets, kisten, etc)

Ø  door afzetting van rivierslib langs de grote rivieren bij overstromingen van uiterwaarden

Ø  door het gebruik van gecontamineerde meststoffen en compost of andere grondstoffen

Ø  door ontduiken van de regels m.b.t. zaadaankopen, gewasbescherming e.d.



·         controle instanties die residuen meten

De verantwoordelijke instantie die in Nederland (op steekproefbasis) residuen meet van bestrijdingsmiddelen in alle landbouwproducten is de NVWA (de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit). De aanwezigheid van verhoogde gehalten van gewasbeschermingsmiddelen uit de reguliere teelt geldt doorgaans als bewijs dat de productie niet aan de biologische eisen heeft voldaan. De NVWA legt in zulke gevallen misleiding van de consument ten laste. Ook wordt de overtreding gemeld aan de toezichthouder op de biologische productie, Skal Biocontrole.



Skal Biocontrole is aangewezen als toezichthouder om bij biologische bedrijven te controleren of zij zich aan de voorschriften houden. De biologische regelgeving stelt eisen aan de werkwijze en aan het gebruik van hulpstoffen. Ook voor biologische producten gelden de wettelijke limieten voor gewasbeschermingsmiddelresiduen. SKAL Biocontrole werkt met een meldwijzer , waarbij bij gehalten van meer dan 0,02 mg/kg actie wordt ondernomen. Skal Biocontrole voert ook zelfstandig, onaangekondigde, monsternames uit op geselecteerde producten en bepaalt daarin de gehalten van gewasbeschermingsmiddelen. In het geval van overtredingen kan Skal Biocontrole de partij of het perceel de-certificeren en tuchtrechtelijke maatregelen nemen. Behalve de NVWA en Skal Biocontrole , zijn er ook afnemers die onderzoeken laten doen. Een aantal van ruim 15 grote handelaren in biologische producten hebben een gezamenlijke on-line databank opgezet voor residumetingen, die Biokap wordt genoemd.



Noch de metingen van het NVWA, noch die van Skal of van de handelsbedrijven zijn toegankelijk voor boeren, tuinders, of consumenten. Voor deze groepen is er dus geen enkele manier waarop zij het gehalte aan bestrijdingsmiddelen in een specifiek product kunnen achterhalen.



·         residuen in biologische landbouw producten
Bij de ruim 1500 monsters die de NVWA tussen 2005 en 2013 nam van biologische landbouwproducten, werden in 53 gevallen residuen aangetroffen (dus in 3,5% van de gevallen). Het biologische fruit en groente dat in Nederlandse winkels wordt verkocht, bevat dus over het algemeen geen gewasbeschermingsmiddelen (bij de gebruikte meetnauwkeurigheid). Als er residuen worden aangetroffen, dan komt het veel minder vaak voor dan bij regulier geteelde producten. Vaak betreft het dan producten van buiten Europa. De NVWA heeft biologische granen en graanproducten onderzocht. In totaal zijn 129 monsters onderzocht, waarvan 13 meer gewasbeschermingsmiddelen bevatten dan bij biologische teelt aannemelijk is. De gehalten waren echter beneden de wettelijke norm. Bij biologische aardappelen werden het vaakst residuen aangetroffen, meestal van kiemremmingsmiddelen.



·         residuen in gangbare landbouw producten
Bij reguliere productie bevat ongeveer de helft van de monsters residuen van gewasbeschermingsmiddelen. Ook bij gangbaar fruit werden bij meer dan de helft van de vruchten residuen vastgesteld, tot wel 96% bij sinaasappelen. 



·         realiteitszin van de eis van afwezigheid van residuen van bestrijdingsmiddelen in biologische producten

Doordat de analysetechniek beter wordt, kunnen steeds meer stoffen in steeds kleinere hoeveelheden worden gemeten. Op dit moment kunnen nanogrammen per kg (een nanogram is een miljardste gram) worden bepaald. De commerciële laboratoria in Nederland gebruiken methodes waarvan de detectiegrens kan uiteenlopen van  0,010 milligram per kg tot 1 nanogram per kg. Uiteraard wordt de waarschijnlijkheid met de verbeterde technieken steeds groter dat je residuen vindt in elk product, waar dan ook vandaan. Centraal moet de vraag staan wat je met de metingen wilt bereiken, en welk gehalte als veilig kan worden beschouwd.



·         chemische belasting van de landbouw door de landbouw

Volgens berekeningen komt ca. 13000 kilo per jaar (periode 2008-2010), per jaar in Nederland direct in het oppervlaktewater en ruim 700.000 kilo (10%), verdwijnt naar de lucht.




Tekstvak: Nederlands oppervlaktewater bevat nog steeds gevaarlijke gehaltes van bestrijdingsmiddelen, (meer dan 0,5 microgram per liter water) en het percentage meetpunten waar de normen van een of meer stoffen gemiddeld per jaar werd overschreden lag in 2009 ongeveer 50%

In 2015 waren er volgens CLM (Centrum Landbouw en Milieu) 238 verschillende actieve stoffen van bestrijdingsmiddelen toegelaten in Nederland. Daarbij zijn sinds 1995 de neonicotinoiden populair geworden als systemische insecticiden, waaronder imidacloprid, thiamethoxam en clothianidin.



houdt het effect van bestrijdingsmiddelen op bij de bedrijfsgrens?

Uiteraard is de belasting van de landbouwproducten het hoogst op bedrijven die zelf de middelen gebruiken. Echter ook biologische buurbedrijven genieten mee van alle bestrijdingsmiddelen.



DDT is al 44 jaar geleden in Nederland verboden, maar het zit nog vaak in de bodem en in het water. Het is dus niet aannemelijk dat de gehalten van DDT en haar afbraakproducten in de bodems van biologische en gangbare bedrijven sterk zullen verschillen. In een deel van Noord Holland boven het Noordzeekanaal wordt de norm voor DDT in het oppervlaktewater ook nu nog meer dan 5 maal overschreden. Mogelijk houdt dit verband met de intensieve bestrijding van de malariamug in dit gebied in het verleden. Ook neonicotinoiden zijn in de bodem relatief heel stabiel, dus we zijn voorlopig nog niet van dit probleem af.



Tekstvak: Aanwezigheid van DDE (afbraakproduct van DDT) in Nederlands oppervlaktewater in 2014
Blauw=niet aangetroffen
Rood=meer dan vijf maal de norm
Grijs=norm is lager dan detectiegrens
Bron: on-line bestrijdingsmiddelenatlas Universiteit Leiden



hoe verspreiden bestrijdingsmiddelen zich in de omgeving
Via het water en de lucht verspreiden gewasbeschermingsmiddelen zich lokaal, regionaal en internationaal. Een deel komt vroeg of laat, vlakbij de plaats van gebruik of ver daarvandaan, weer terug op de bodem, op de vegetatie of in het oppervlaktewater. Sommige stoffen, zoals bijvoorbeeld de neonicotinoïde insecticiden imidacloprid en clothianidine, spoelen bovendien gemakkelijk uit naar het grondwater of komen door afspoeling in het oppervlaktewater terecht. Verder worden deze stoffen gemakkelijk door planten opgenomen, en komen zo dus in de voedselketen.





Het tweede deel van dit artikel (in een volgend nummer) zal vooral gaan over de ecologische effecten van bestrijdingsmiddelen, het laten meten van bestrijdingsmiddelen en hoe u contaminatie van uw bedrijf kunt tegengaan



Henk Tennekes, consultant toxicoloog te Zutphen (info@toxicology.nl)

Jelmer Buijs; landbouwkundig adviseur (jelmerbuijs@gmail.com)



Dankwoord: met dank aan Skal Biocontrole en aan de Universiteit Leiden voor de door hen verstrekte informatie



Nuttige informatie:

1.       http://www.disasterinthemaking.com/ (boek van H. Tennekes, 2010)


2.      https://www.boerenlandvogels.nl/sites/default/files/Tennekes_Sanchez-Bayo_Toxicology_2013_25.pdf


3.      https://www.nvwa.nl/ (rapporten over voedselinspecties)


4.      Bestrijdingsmiddelen en waterkwaliteit, 2012, Geert R. de Snoo & Martina G. Vijver, Universiteit Leiden, Centrum voor Milieuwetenschappen

5.      http://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/



woensdag 30 augustus 2017



Feiten omtrent fipronil

vrije uitloop kippen in binnenruimte (2011)



gepubliceerd in NRC handelsblad op 14 augustus 2017

Fipronil heeft in Nederland sinds 13/12/2007 geen toelating meer in de landbouw. Het wordt geproduceerd door BASF. Het heeft echter wel toelatingen in 157 producten als “diergeneesmiddel” gekregen bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, CBG, in Utrecht. Het mag echter alleen tegen vlooien en teken bij honden, poezen en fretten worden gebruikt en niet bij kippen.

De Belgische informatie (door het ministerie ontvangen in eind 2016) dat dit middel in kippenstallen in Nederland werd gebruikt, had dus moeten worden opgevolgd door twee handelingen:

1)      Onderzoeken welke bedrijven met dit middel illegaal kippenstallen ontsmetten, en deze bedrijven strafrechtelijk te vervolgen wegens het toepassen van een middel dat geen toelating had voor kippenstallen

2)      Het meten van fipronil in kippen en in kipproducten uit de behandelde stallen.

Alles wat in een kippenstal wordt toegepast komt uiteindelijk in verschillende mate in de kippen terecht. Iedereen die iets anders beweert, heeft geen verstand van zaken, of heeft politieke reden om dat te beweren.

De norm van fipronil in eieren is per 1/1/2017 verlaagd naar  5 microgram per kg (net als voor heel veel andere producten). Het is zeker dat daar goede aanleiding voor was. Des te vreemder is het dat 157 vrij verkrijgbare middeltjes voor honden en katten aan huishoudens mogen worden verkocht. Er zijn dus waarschijnlijk honderdduizenden huishoudens met huisdieren in Nederland zwaar belast met fipronil en vergelijkbare stoffen, zonder dat iemand daar iets over zegt. Noch het NVWA, noch het CBG hebben tot taak metingen te verrichten in huishoudens (…)

Fipronil is verdacht carcinogeen (door de Amerikaanse EPA) en het is een zenuwgif dat niet alleen voor mensen gevaarlijk kan zijn maar ook voor huisdieren.  Het hoort niet op de schappen te staan van iedere supermarkt en dierenwinkel, en dient dus uit de handel te worden genomen, evenals imidacloprid en andere zeer gevaarlijke stoffen die in de handel zijn voor honden en katten (in de categorie van neonicotinoiden). Het is volslagen onbekend wat deze middelen op lange termijn bij mensen en huisdieren voor gevolgen kunnen hebben en dus ook volstrekt onverantwoord om ze toe te laten.



Jelmer Buijs, Bennekom, Landbouwkundige